terug
hoofdstuk 2
de fantasie van de wiskunde
verder
toetssteen


historieCarel Blotkamp
toetssteenVincent Icke, John Barrow
werkwijzeVincent Icke, Eppo van der Kleijn


kunst en wetenschap - de verschillen
---Carel Blotkamp betwijfelt verbindingen tussen kunst en wetenschap-- Vincent Icke wijst op de beperkende factor van de waarneming in de wetenschap---ideeën van de wetenschapper geheim gehouden tot publikatie---


historie
Er zijn velen die sceptisch staan ten opzichte van wat bepaalde soorten van wetenschap en stromingen in de beeldende kunst elkaar te vertellen zouden hebben. Een bezwaar daarbij is dat wetenschap vaak wordt opgevat als techniek. De techniek is tegenwoordig ver doorgedrongen in de beeldende kunst - computergebruik, nieuwe media en andere flitsende apparaten zijn te zien in de musea en andere kunstinstellingen. Naar mijn mening kan technische apparatuur uitstekende kunst opleveren maar heeft techniek weinig met wetenschap te maken. Het bijvoeglijke naamwoord 'zuiver' in de titel van de dialogencyclus geeft hierbij wederom een vingerwijzing - juist niet toegepast in techniek, maar als beschrijving van de werkelijkheid zie ik mogelijkheden tot uitwisseling tussen de gebieden van de beeldende kunst en exacte wetenschappen.
Een van de sceptici naar eigen zeggen was Carel Blotkamp, het volgende stuk was zijn inleiding van de dialoog met Ferdinand Verhulst:


Carel Blotkamp
Carel Blotkamp

Carel Blotkamp:
"Ik zal mijn inleiding kort houden. Het is zeer de vraag of ze aansluit op wat Ferdinand Verhulst net heeft gezegd, maar we zullen daarna gedrieën proberen de meningen meer met elkaar te confronteren. Ik heb geen eenduidig standpunt over de problematiek die in deze reeks wordt aangesneden, maar ik wil er wel enkele losse opmerkingen over maken. Om te beginnen een enkele opmerking over de terminologie. De titel van het geheel is: zuivere wetenschap en autonome kunst. In aankondigingen en ook in de stukken die vanuit de organisatie aan de deelnemers zijn gericht, wordt dat afgekort tot: wetenschap en kunst. Uit de keuze van de discussiepartners blijkt echter dat die twee begrippen, wetenschap en kunst, toch beperkt worden opgevat. Onder kunst blijkt in de praktijk verstaan te worden beeldende kunst en onder wetenschap de exacte wetenschappen. In Nederland is het steeds meer de gewoonte geworden om wetenschap te versmallen tot exacte wetenschap, waarmee men dus de Engelse gewoonte volgt (science). De wetenschapsbijlage van het NRC bij voorbeeld houdt zich bijna uitsluitend met exacte wetenschap en aanverwante gebieden bezig, met uitsluiting, voor bijna 100 procent, van, ik noem maar wat, sociologie, psychologie en de historische en kunstwetenschappen, die in het Engels worden aangeduid met humanities.
Nu is het niet bepaald de tijd en de plaats om te discussiëren over de wetenschappelijkheid van de humanities, daar zijn de meningen ook nogal over verdeeld; het hangt er natuurlijk ook vanaf hoe je überhaupt wetenschap definieert. Maar ik geef er toch de voorkeur aan om die term in het Nederlands in brede zin te blijven gebruiken. En als je kunst en wetenschap op elkaar betrekt, dan is het bepaald niet zo voor de hand liggend om het te zoeken in de richting die in deze reeks aan de orde is, in de verbinding tussen beeldende kunst en exacte wetenschappen. Ik zou me goed kunnen voorstellen dat andere wetenschapsgebieden dan de exacte evenzeer, zo niet meer in aanmerking komen om met kunst verbonden te worden. Ik vind de psychologie bij voorbeeld een minstens even interessant gebied op dat vlak. Maar voor een discussie zoals in deze reeks is elke beperking natuurlijk zinnig, anders zou het oeverloos worden. Dus moeten we dat maar gewoon aanvaarden, en er zit geloof ik genoeg interessants aan.
Een tweede opmerking die ik wil maken. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar bij manifestaties die gewijd zijn aan kunst en exacte wetenschap, zoals deze (dit is natuurlijk bepaald niet de eerste en de enige in haar soort) heb ik altijd de indruk dat er een bepaalde vooronderstelling of zelfs een wensdroom aan ten grondslag ligt, die aanwezig is bij de organisatoren en wellicht ook wel bij u als bezoekers; de veronderstelling dat er tussen kunst en wetenschap iets moois bestaat, of de wensdroom dat er iets nog veel mooiers zou ontstaan, als ze dichter bij elkaar zouden komen; de gedachte dat ze een stimulerende en bevruchtende werking op elkaar zouden kunnen hebben, en misschien wel in hun diepste wezen een en het zelfde zijn. Als historische wetenschapper ben ik misschien beroepshalve een beetje sceptisch ingesteld, maar ik ben er niet zo zeker van dat dit huwelijk wel het meest ideale is. Ik kan wel een paar verklaringen bedenken waarom dat gedacht wordt.
De beeldende kunst heeft een lange emancipatie achter de rug in de Westerse kunstgeschiedenis. Die emancipatie heeft vanaf de late Middeleeuwen in versneld tempo plaatsgevonden. In die tijd werd, generaliserend gesproken, de kunstenaar nog als handwerksman beschouwd. Daarna zijn steeds meer eigenschappen toegedicht en ook steeds hogere eisen gesteld aan het kunstenaarschap, met al een eerste, voorlopig hoogtepunt in de Renaissance, toen de uomo universale, de universele mens, een soort ideaalbeeld werd dat bij uitstek ook geprojecteerd werd op het kunstenaarschap. Iemand die daar naar toenmalige maatstaven heel goed aan voldeed was Leonardo da Vinci, maar ook anderen zoals Michelangelo en Rafael waren universele mensen. Niet alleen schilderden ze en maakten ze beelden, ze waren ook actief als architect, ze schreven gedichten en maakten muziek, ze deden uitvindingen. Dat is natuurlijk een prachtig geheel.
Ik geloof dat iets van dat ideaal is blijven naspoken tot op de dag van vandaag, zo niet in de praktijk dan toch in theorie. Ook al is uiteraard in volgende eeuwen de specialisatie op elk gebied zo toegenomen dat het een illusie is geworden om te denken dat alle vermogens en alle opgetaste kennis in één mens verenigd zouden kunnen zijn, de kunstenaar wordt vaak als een soort bovenmenselijke figuur opgevat, die de meest uiteenlopende gebieden van de menselijke ervaring en van het menselijk denken doorvorst en met elkaar verbindt en tot uitdrukking brengt in zijn werk. Althans, dat is de onderliggende gedachte die sinds de Romantiek, in het begin van de 19e eeuw, is blijven leven. Terwijl dus de natuurwetenschappen in de 19e en 20ste eeuw een triomftocht hebben gevierd en zich opdeelden in talloze specialismen, wordt tegelijkertijd van de kunstenaar verwacht dat hij een soort intuïtieve, generale verwerking daarvan tot stand brengt, dat hij die toenemende technologisering en verwetenschappelijking van het wereldbeeld vermenselijkt.
Wat denk ik ook speelt is de gedachte, die in de 19e eeuw sterk opkomt, dat de kunstenaar van zijn tijd moet zijn. Ook vanuit die invalshoek wordt het als een noodzaak beschouwd dat de kunstenaar zich verhoudt tot de moderne wetenschappelijke ontwikkelingen. Die opvatting leefde bij voorbeeld bij de Russische constructivisten, voor wie de schilderkunst volledig had afgedaan. Dat was een soort fossiele aangelegenheid. Je kon toch niet meer met olieverf schilderen zoals Jan van Eyck, je moest als een ingenieur in het leven staan, je bedienen van de nieuwste technische middelen en de nieuwste materialen. Dat heeft op zichzelf wel tot bijzondere resultaten geleid, dus ik kan er geen kritiek op hebben, maar ik ben toch zo vrij die opvatting te interpreteren als een bepaalde vorm van idealistisch denken. Ik zou dat niet bepaald tot een model of een maatstaf voor moderne kunst in het algemeen willen verheffen. Wie als kunstenaar vandaag de dag baat heeft bij het gebruik van computer of de nieuwste elektronische technieken op het gebied van beeldproduktie moet ze vooral gebruiken. Maar wie genoeg heeft aan een HB potlood verdient evengoed een plaatsje onder de zon. Als kunstenaar is hij niet op voorhand minder van deze tijd.
Een reële vraag is natuurlijk, in hoeverre kunstenaars kunnen doordringen in de gebieden die bestreken worden door de exacte wetenschap en door de wiskunde. Ferdinand Verhulst heeft daarnet al gezegd dat er per jaar tussen de 50 en 60 duizend publikaties op het gebied van de wiskunde alleen al verschijnen, en dat er geen kwestie van is dat wiskundigen zelf een greep op dat hele gebied kunnen houden. Dus zijn er talloze specialisaties ontstaan, er is niemand meer die het geheel kan overzien. Wat kun je in zo'n situatie van een kunstenaar verlangen?
Levert de verbinding tussen kunst en exacte wetenschappen dan helemaal nooit iets op? Zo pessimistisch wil ik ook weer niet zijn. Maar bij een heleboel verschijningsvormen, waarin die verbinding optreedt of lijkt op te treden, heb ik toch sceptische gedachten. Ik weet niet of het tijdschrift Leonardo u bekend is, dat in de jaren zestig is opgericht en dat aan de relatie kunst en wetenschap is gewijd. De eindredacteur neemt naar mijn indruk min of meer de teksten op zoals ze hem werden toegestuurd; het redactiebeleid is niet erg selectief. Als je door oude jaargangen bladert dan zie je een bonte stoet passeren van mensen die door vreemde verbindingen van chemische vloeistoffen allerlei patronen doen ontstaan, programmeurs die leuk gespeeld hebben op het beeldscherm, enzovoort. Het is werkelijk een stoet van freaks. Ik ben er nooit iets in tegengekomen wat als kunst de moeite waard was,
dus dat voedt zeker mijn pessimisme als het gaat om die relatie.
Er is natuurlijk daarnaast ook kunst die als kunst wel zeer de moeite waard is en die zekere verbanden vertoont met de exacte wetenschap, met de wiskunde bij voorbeeld. Ik wil enkele losse voorbeelden daarvan noemen en ik blijf daarbij dicht bij huis, namelijk bij De Stijl. In de periode vanaf ongeveer de eeuwwisseling vertonen veel kunstenaars belangstelling voor de 4e dimensie, een deel van het gebied van de non-euclidische wiskunde. Er is een prachtig boek verschenen van Linda Henderson over de manier waarop beeldende kunstenaars geprobeerd hebben om die 4e dimensie in hun kunst gestalte te geven. Dat speelde ook bij de kunstenaars van De Stijl, en omstreeks 1917-1918 komt het onderwerp ter sprake in de correspondentie tussen Mondriaan en Van Doesburg. Als je dat goed leest, dan merk je dat Mondriaan niet het geringste idee heeft waar het over gaat. Die denkt bij de 4e dimensie aan een soort helderziendheid, hij geeft een occulte interpretatie van dat begrip. Voor Van Doesburg geldt dat aanvankelijk ook wel, maar al vrij snel, door wat meer, maar vaak toch nogal onkritisch lezen van literatuur over de 4e dimensie in de wiskunde, krijgt hij wat meer idee van wat er aan de orde is. Zo zie je dat hij de hyperkubus van Hinton gebruikt (dat is een van de voorstellingswijzen van de 4e dimensie).
Georges Vantongerloo is binnen De Stijl degene geweest die zich het meest nadrukkelijk heeft beroepen op de exacte wetenschappen. Hij heeft bij voorbeeld geprobeerd om de wetmatigheden van kleur te achterhalen, door een verbinding te leggen tussen geluidsharmonieën en kleurharmonieën. Hij wilde met kleur doen wat volgens de muziekleer in het geluid gebeurt en hij stelt dan dat dat eigenlijk hetzelfde is, dat kleuren en geluiden allebei trillingen zijn en dat ze vanwege dat feit met elkaar vergeleken of verbonden kunnen worden. Nu zal elke natuurkundige je kunnen vertellen dat kleur en geluid niet dezelfde soort trillingen zijn. Als je ziet langs welke wegen Vantongerloo tot de beslissing komt dat bij voorbeeld een kleurvlak een bepaalde grootte moet hebben ten opzichte van de aard van die kleur, dan blijkt dat in feite goochelarij te zijn, die weinig van doen heeft met echte exacte wetenschap.
Wat ik hiermee wil zeggen is dat ook bij de historisch vertrouwde voorbeelden van kunst die een relatie aangaat met exacte wetenschap, er vaker sprake is van een vruchtbaar misverstand dan van begrip. En daar heb ik eigenlijk niks op tegen. Misschien interesseert me dat uiteindelijk nog wel meer dan kunst die wel gebaseerd is op een goed begrip van de exacte wetenschappen. Het is misschien een heel perverse belangstelling van me, maar dat moet dan maar. Daar wil ik het bij laten."




terug
hoofdstuk 2
de fantasie van de wiskunde
verder
toetssteen